‘Aha, je bedoelt een omgekeerde Wet Normering Topinkomens’

Rondetafelgesprek Arbeidsmarktpositie in culturele en creatieve sector Rondetafelgesprek Arbeidsmarktpositie in culturele en creatieve sector

Vergelijkingen kunnen zó inzichtelijk zijn. Tijdens de opening eind vorige week in de AkzoNobel Art Space van de expositie Common Ground keek een dame werkzaam op de Zuid-as me glazig aan toen ik vertelde over de richtlijn kunstenaarshonorarium. Opeens lichtte haar gezicht op: ‘Aha, je bedoelt een omgekeerde Wet Normering Topinkomens!’ riep ze uit. En zo is het. Waar de WNT een grens stelt aan wat we als samenleving de bovengrens vinden voor salarissen van topfunctionarissen, zo trekt de honorariumrichtlijn beeldend kunstenaars een ondergrens voor de minimale betaling van bewezen diensten door kunstenaars.


AkzoNobel Art Space, tentoonstelling
‘Common Ground’ met werk van Maria Roosen

De vergelijking sloeg gisteren goed aan in de Tweede Kamer tijdens een speciale hoorzitting over de arbeidsmarkt waar een gezelschap uit de kunstwereld, onder wie ik, uitleg mocht geven. PvdA-Kamerlid Gijs van Dijk vroeg wat er dan precies nodig is om die omgekeerde WNT-norm te laten werken. Het antwoord: voortzetting van het experimenteerreglement van het Mondriaan Fonds, dat instellingen door middel van een gedeeltelijke compensatie stimuleert de honoraria te betalen. Meer dan honderd instellingen maakten er inmiddels al gebruik van voor de betaling van een veelvoud van kunstenaars. Het eenmalige bedrag van 600.000 euro dat ervoor is uitgetrokken is bijna op.

AkzoNobel Art Space, tentoonstelling ‘Common Ground’ met werk van Allard van Hoorn
AkzoNobel Art Space, tentoonstelling ‘Common Ground’ met werk van Allard van Hoorn

De richtlijn wérkt, zo blijkt ook uit een gisteren gepubliceerd onderzoek: het aantal instellingen dat kunstenaars betaalt voor hun werk is verdubbeld sinds invoering vorig jaar van die ‘omgekeerde WNT’. Tweederde volgt de richtlijn, terwijl tot voor kort nog tweederde helemaal níets betaalde. Daarmee lijkt een einde te komen aan de situatie dat iedereen betaald krijgt, van cateraar tot curator, behalve de kunstenaar. Voor 2019 en 2020 zou jaarlijks nog eens 800.000 euro nodig zijn om het toepassen van de richtlijn verder te stimuleren. Dat sluit goed aan bij de onlangs verschenen Visiebrief van minister Van Engelshoven, die voor de komende jaren verdere ontwikkeling van honorariumrichtlijnen bepleit. Daarna moet betaling aan kunstenaars worden opgenomen in de reguliere begroting van instellingen – waarbij dan weer de vraag is: waar komt het extra benodigde geld dan vandaan?

Antoinette Laan en Birgit Donker
VVD-Kamerlid Antoinette Laan met Birgit Donker tijdens werkbezoek bij Begraafplaats Crooswijk

VVD-Kamerlid Antoinette Laan vroeg: ‘Kunnen instellingen dan niet gewoon wat minder organiseren?’ Dat kan natuurlijk, maar met minder exposities doen we onszelf als samenleving tekort. Wij als publiek staan te springen om kunst; kunstmusea trekken steeds meer bezoekers en ook presentatie-instellingen trekken een groot en divers publiek – om van hun rol als experimenteercentrum maar te zwijgen. En er moet wel wat te zien zijn in die musea, nu en in de toekomst. Zonder kunstenaars geen kunst.
Intussen is het bijzonder te zien dat de beeldende kunst zich heeft georganiseerd als een soort mini-SER, met een geregeld overleg tussen werkgevers (presentatie-instellingen, kunstmusea) en werknemers (Kunstenbond, BBK, Platform BK) in het informele overleg Beeldende Kunst Nederland (BKNL). Tijdens het Kamerdebat gisteren werd opgeroepen tot meer overleg tussen de sociale partners in de kunstsector. In de beeldende kunst heeft dat sociaal overleg dus al plaats. Mede daarom kon SER-voorzitter Mariëtte Hamer dan ook concluderen: ‘Van het zzp-schap in de kunstsector kunnen we veel leren voor andere sectoren.’