Birgit Donker blogt

De onmacht van het getal

Rij voor museum. Foto: Anna Vossers

De ruim zeventig kunstmusea in Nederland trekken meer bezoekers dan het betaald voetbal. Met die constatering – het zijn er liefst 2 miljoen per jaar meer – illustreerde Koning Willem Alexander afgelopen vrijdag bij de uitreiking van de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst de relevantie van kunst. Het kan natuurlijk aan de kwaliteit van het betaald voetbal liggen, grapte de Koning, ”maar zelfs met de moeilijke periode die het Nederlandse voetbal momenteel doormaakt, zullen weinigen deze activiteit irrelevant noemen, denk ik”.

Koning Willem Alexander met prijswinnaars Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst 2015

Hij heeft gelijk; veel Nederlanders lopen warm voor kunst. Toch vertellen bezoekcijfers maar een deel van het verhaal. Wat nemen die mensen mee van hun bezoek? Het kan waardevoller zijn als één bezoeker werkelijk geraakt wordt door wat hij ziet en hoort dan dat een grote groep door de zalen draaft zonder echt te kijken.

Grote bezoekersaantallen zijn lang niet altijd maatgevend voor het succes van een museum of andere presentatieplek en zeker niet de enige indicator. Innovatief en experimenteel zijn kan betekenen dat de bezoekersaantallen beperkt zijn, maar dat er wel een belangrijke voortrekkersrol wordt vervuld. En wat te denken van het onderhouden van contacten met buitenlandse instellingen of met andere maatschappelijke partners zoals scholen – dat telt niet mee in de bezoekersaantallen en is toch relevant.
Musea en andere presentatie-instellingen gaan mee in de veronderstelde verwachtingen van hoge bezoekcijfers. Zo worden in de aanvragen die het Mondriaan Fonds ontvangt vaak overdreven bezoekersaantallen voorspeld. Waarbij interessant genoeg de getallen 35.000 en 45.000 veel voorkomen – ook voor een kleinere instelling waarvan je van tevoren kunt uittekenen dat dit onhaalbaar is. Onze adviseurs kijken hier kritisch naar en hebben liever een lagere maar realistische inschatting dan door wishful thinking omhooggestuwde cijfers. Tijdens het Open Huis dat we vorige maand hielden noemde Michael Huijser, adviseur bij onder meer de regeling voor meerjarenprogramma’s erfgoedinstellingen, dit het bezoekersaantallenvirus. ”Overschreeuw je niet”, raadde hij aanvragers aan. ”Wij zien liever een getal van 3.500 dat realistisch is. Dan valideer je een aanvraag.”

Birgit Donker, Michael Huijser en Luuk Wilmering tijdens Open Huis

Het bezoekersaantallenvirus beperkt zich overigens niet tot musea. Toen vier jaar geleden bij de Raad voor Cultuur de plannen werden ingediend voor de nieuwe cultuurplanperiode waren de voorspelde bezoekersaantallen bij de verschillende disciplines zo hoog, dat iedere Nederlander wel op ieder moment van de dag naar een vorm van kunst moest gaan, wilden al deze verwachtingen waargemaakt kunnen worden.

Het is natuurlijk wel te verklaren, die vaak overdreven voorspellingen. Instellingen moeten eigen inkomsten genereren, en een van de manieren is via bezoekers. En het staat ook goed, dat ieder jaar het totaal aan bezoeken aan Nederlandse musea weer is toegenomen. Maar die stijging, die overigens vooral op het conto komt van de grote musea (het zogenoemde Mattheüseffect), kan niet eindeloos doorgaan. Ook daarom kunnen we het vanaf nu beter hebben over de kwaliteit van het bezoek dan over de kwantiteit; welke impact had de expositie op wie en wat kan daar uit voorkomen?
Nu nog accepteren dat echte waarde niet in getallen uit te drukken is. En dus onmetelijk waardevol.