Birgit Donker blogt

Honorarium: het onderzoek

Uiteenlopende reacties ontving ik op mijn blog eerder dit jaar over het kunstenaarshonorarium onder de titel ‘Volg de Denen’. Kunstenaars juichten het pleidooi voor betaling van hun werk toe, maar sommige museumdirecteuren herkenden zich niet in het beeld en vonden dat het in ieder geval in hun instelling al goed geregeld was met de vergoeding aan kunstenaars.
Het leek wel of het debat zich in twee werelden afspeelde.
En wat ook opviel in de discussie over het kunstenaarshonorarium, die overigens ook elders werd gevoerd: er waren nauwelijks feiten die verder gingen dan casuïstiek. Het debat werd vooral gevoed door emoties.

Dat is de reden dat er nu een onderzoek is gedaan om de praktijk van het kunstenaarshonorarium in kaart te brengen. Acht organisaties verenigd in Beeldende Kunst Nederland en gefaciliteerd door het Mondriaan Fonds, hebben onderzoeksbureau APE daarvoor de opdracht gegeven. Die organisaties zijn: Platform BK, Museumvereniging, FNV Kiem, Kunsten ’92, de Beroepsvereniging van Beeldend Kunstenaars, de Nederlandse Galerie Associatie en De Zaak Nu.

Het resultaat is een eerste inzichtelijk overzicht van de praktijk. Wat vooral opvalt is hoe uiteenlopend die is. Er bestaat in Nederland geen honoreringsrichtlijn of model met een nationale werking. Ieder museum en iedere presentatie-instelling hanteert een eigen honoreringsbeleid. Uit het onderzoek blijkt nu dat er grote bereidheid is om tot betere afspraken te komen, zowel bij musea en presentatie-instellingen als bij kunstenaars.

Remco Torenbosch in The Value of Nothing, TENT, Rotterdam, 2014 (foto: Janssen&Adriaans)

Driekwart van de voor het onderzoek geënquêteerde beeldend kunstenaars maakt bij tentoonstellingen wel afspraken over enige vorm van betaling, veelal mondeling of per mail. Dat kan van alles zijn: een onkostenvergoeding voor bijvoorbeeld transport- of verzekeringskosten, productiekosten, of een per diem. Het gaat lang niet altijd om een honorarium los van onkosten: in twee derde van de gevallen is geen sprake van een honorarium. Als er een honorarium wordt geboden ligt dat meestal tussen de 150,- en 3.500,- euro; variërend van een honorarium voor één tentoongesteld werk in een groepsexpositie tot een bedrag voor een solotentoonstelling. Geschreven contracten zijn zeldzaam.

Op het onderzoek wordt, zoals te verwachten, uiteenlopend gereageerd. Vanuit vakbondshoek werd direct de conclusie getrokken: te veel kunstenaars worden niet betaald. Uit de hoek van musea en galeries laten de reacties nog op zich wachten.
De volgende stap is dat de verschillende geledingen van BKNL hun achterbannen raadplegen en kijken hoe een gezamenlijke vervolg eruit kan zien. Hoe die ook wordt vormgegeven, dat dit gemeenschappelijk gedragen onderzoek naar de praktijk er nu is, is alvast winst. Voor kunstenaars, maar ook voor musea en andere opdrachtgevers.

Het Mondriaan Fonds blijft zelf intussen bijdragen aan het broodnodige besef dat het normaal is ook kunstenaars te betalen voor hun werk. Door een reëel honorarium verplicht te stellen bij onze bijdragen voor opdrachtgeverschap – of de opdrachtgever nou een museum is, een school of twee boerinnen. En door erop te letten dat musea in een begroting voor een projectinvestering bij de post ‘honoraria’ ook de uren opnemen die de kunstenaar in de expositie steekt.
Wordt vervolgd.