Birgit Donker blogt

Na de Late Rembrandt

Zelfportret als de apostel Paulus. Rembrandt Harmensz van Rijn. 1661. Beeld Rijksmuseum Amsterdam

Meer dan een half miljoen bezoekers trok de expositie Late Rembrandt in het Rijksmuseum Amsterdam, die gisteren sloot. Dat is een geweldig resultaat. Er klonken klachten over de extreme drukte, maar er waren vooral ook vele bezoekers die een bijzondere expositie zagen van honderd schilderijen, etsen en tekeningen die nooit eerder samen werden getoond en die komen uit een periode dat Rembrandt alles durfde en zijn meest vrije werk maakte.

Waarom trok deze expositie zoveel bezoekers? Door de kwaliteit van het werk, dat in de eerste plaats; door de bekendheid van Rembrandt, doordat hij ‘van ons’ is (dezelfde expositie trok in Londen ‘slechts’ 260.000 bezoekers) en door de effectieve communicatie van het museum. De Nederlandse musea zijn tegenwoordig professionele bedrijven in schoonheid en ervaring, met al even professionele marketingafdelingen die erin zijn geslaagd het onterecht stoffige imago van musea weg te blazen en een breed publiek aan te spreken.

Henri Matisse, La perruche et la sirène, 1952-1953. De parkiet en de zeemeermin, gouache op papier, uitgeknipt en geplakt op papier, gemonteerd op doek 337 x 768,5 cm. Stedelijk Museum Amsterdam, verworven met steun van de Vereniging Rembrandt en het Prins Bernhard Cultuurfonds, 1967. © Succession H. Matisse, c/o Pictoright Amsterdam, 2014.

Ook andere exposities trekken grote bezoekersaantallen. Rijen voor Rothko in het Gemeentemuseum Den Haag eerder dit jaar en nu voor Matisse in het Stedelijk Museum Amsterdam. We mogen ons gelukkig prijzen met deze tentoonstellingen. En tegelijk kan de aandacht voor die tijdelijke exposities ook ten koste gaan van die andere belangrijke taak van musea: het beheer, behoud en tonen van de vaste collecties. Dat springt minder in het oog, maar is ten minste zo belangrijk. Dan gaat het ook om het restaureren en het digitaliseren van die collecties. En om het verrijken van collecties met aankopen; de Rembrandts van de toekomst. Een miljoenen publiek is daarom geen voorwaarde voor het Mondriaan Fonds, dat ook het experiment met een passend publiek wil bevorderen.

Er is de afgelopen tijd flink bezuinigd op kunst en cultuur (zo is het aankoopbudget van het Mondriaan Fonds gehalveerd). Bovendien eisen we als samenleving van musea dat ze eigen inkomsten generen onder meer met hoge bezoekersaantallen. Dat publiek wordt getrokken met bijzondere exposities die we niet zouden willen missen. En toch is het ironisch dat diezelfde ‘Staalmeesters’, ‘De Joodse Bruid’ en zijn zelfportret als Paulus uit de drukbezochte Late Rembrandt deze week weer ‘gewoon’ te zien zijn in het Rijksmuseum en dat de wachtrij dan veel minder groot zal zijn. En dat intussen middelgrote en kleinere musea moeite hebben om zich te staande te houden.