Birgit Donker blogt

Uitlenen collecties een uitgelezen kans

Uit rapport 'Uitlenen is een kans' van Museumvereniging. Foto: Maarten van Haaff

,,Vergelijk het met je schoenencollectie. Weet jij hoeveel schoenen er precies in je kast staan?’’ Die vergelijking maakte Rijksmuseumdirecteur Wim Pijbes eerder dit jaar tijdens het Museumcongres onder de titel ‘Collectie Boppe’. Wat hij maar zeggen wilde; natuurlijk zijn er ook voorwerpen in het depot van een museum waarvan de directeur niet precies weet heeft. Maar dat betekent niet dat die voorwerpen geen belang hebben. Zijn collega Axel Rüger van het Van Gogh Museum zei tijdens hetzelfde debat, toen het ging over soepel bruikleenverkeer: Maar waar moeten al die geleende werken dan naar toe? Het is toch niet zo dat er nu bijvoorbeeld in het Bonnefantenmuseum een hele zaal leeg is?

Over museumcollecties en het belang van bruiklenen gaat het rapport ‘Uitlenen is een kans’ dat gisteren openbaar werd. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Museumvereniging met een bijdrage uit de Samenwerkingsregeling van het Mondriaan Fonds.

Eerst de cijfers. De collectie van Nederlandse musea wordt geschat op 65 miljoen voorwerpen. Daarvan zijn er 3,25 miljoen (dus 5 procent) op zaal te zien.

Dan de context: Driekwart van de collecties is verzameld en bewaard voor onderzoek (denk aan de liefst 37 miljoen insecten, planten, schimmels et cetera in de collectie van Naturalis). Daarbij: musea tonen ook collectie-onderdelen die in het depot zijn, bijvoorbeeld digitaal, of ze maken het depot zelf zichtbaar. Het Glasmuseum in Leerdam is een goed voorbeeld van beide.

Collectie tropische bladsprietkevers Naturalis (Foto:Naturalis)

Alsof ze een antwoord geven aan Axel Rüger constateren de onderzoekers dat het bij bruiklenen vaak gaat om verhuizing van een voorwerp uit de vaste opstelling van het ene museum naar een zaal in een ander museum: het voorwerp was al zichtbaar en blijft dat. Desalniettemin noemen ze bruikleenverkeer van grote meerwaarde omdat opstelling in een andere context het werk een nieuwe waarde geeft die een verrijking is voor de Collectie Nederland.

Uit het onderzoek blijkt dat de inzet van musea om meer van de collecties te delen groot is, maar dat er allerlei praktische bezwaren zijn. Een paar daarvan zijn simpel op te lossen. Zo zouden de transportkosten bij bruiklenen omlaag kunnen als de bruikleennemer zelf hierover kan onderhandelen, wat naar verwachting leidt tot een scherpere prijs. Ook de verzekeringskosten kunnen drastisch omlaag als voor binnenlandse bruikleenverkeer in plaats van de marktwaarde van de objecten uitsluitend de werkelijke risico’s (herstellen van mogelijke schade tijdens bruikleenperiode en transport) worden verzekerd.

Een belangrijke aanbeveling van de onderzoekers is: trek geld uit voor digitalisering. 44 procent van de collecties moet nog gedigitaliseerd worden en de investeringen hierin nemen drastisch af. Een andere tip: stel heldere bruikleenvoorwaarden op en maak die zichtbaar. Maak meer depots zichtbaar; ze zijn de schatkamer van het museum. En laat overheden samen afspraken maken over een open bruikleenverkeer zonder handling fee.

Het is te hopen dat deze aanbevelingen ter harte worden genomen door musea en hun eigenaren (vaak overheden) en er inderdaad intensiever bruikleenverkeer op gang komt, die de zichtbaarheid van de Collectie Nederland vergroot en verrijkt. Om nog even de vergelijking van Wim Pijbes te gebruiken: zodat schoeneneigenaren weten wat er precies in hun kast staat en hun collecties zo veel mogelijk getoond worden.

Lees hier het volledige rapport.