Inbreng Mondriaan Fonds stakeholdersconsultatie SER en Raad voor Cultuur

Algemeen
De positie van kunstenaars en andere zelfstandigen in de cultuursector, zoals freelance curatoren en critici, staat zwaar onder druk. Met name de positie van beeldend kunstenaars, die (sinds de laatste hofschilder) allemaal zelfstandig ondernemer zijn, is precair. Ze verdienen gemiddeld nog geen 15.000 euro bruto per jaar zo bleek vorig jaar uit het rapport van de SER en de Raad voor Cultuur over de arbeidsmarkt in de cultuursector. Uit ander onderzoek, uitgevoerd in opdracht van Beeldende Kunst Nederland, een platform waarin alle partijen uit de beeldende kunst zijn verenigd, blijkt dat kunstenaars vaak niet worden vergoed voor het werk dat ze doen en dat bij exposities iedereen wordt betaald, van curator tot cateraar, maar niet de kunstenaar.
We verwachten als maatschappij veel van de kunst- en cultuursector. Kunst en cultuur spelen een belangrijke rol voor onze identiteit, economie en welzijn. Maar we schatten ze als samenleving niet altijd op waarde. Een kwart van het rijksbudget is sinds 2013 verdwenen en de gevolgen daarvan zijn steeds duidelijker zichtbaar. Aan de bijdragen die er nog zijn worden steeds meer prestatie-eisen verbonden. Kunst en cultuur worden zo een duizenddingendoekje, een oplossing voor allerlei andere problemen. Terwijl ze zo veel meer zijn dan dat.
Positief is dat de sector van beeldende kunst nu gezamenlijk optrekt. Het Mondriaan Fonds sluit daar graag op aan.

Honorariumrichtlijn
Om de precaire positie van kunstenaars te verbeteren is door het veld een honorariumrichtlijn opgesteld voor exposities zonder verkoopdoelstellingen, die dit jaar van kracht werd. De richtlijn is bedoeld om de onderhandelingen tussen kunstenaar en instelling te professionaliseren en deze bevat minimumbedragen en het principe van ‘pas toe of leg uit’. Kunstenaars, presentatie-instellingen en ruim tien musea onderschrijven de richtlijn. Nog niet alle musea doen mee, onder meer omdat ze vrezen dat het met de richtlijn moeilijker zou worden zelf afspraken te maken.
Instellingen die de richtlijn toepassen kunnen tijdelijk een gedeeltelijke vergoeding aanvragen bij het Mondriaan Fonds. De minister van OCW heeft hiervoor eenmalig 600.000 euro beschikbaar gesteld, die naar verwachting binnen dit jaar op is. Op 21 februari wordt de richtlijn officieel bekrachtigd door partijen in het veld, in aanwezigheid van de voorzitter van de SER en van de Raad voor Cultuur. De minister van OCW zal de eerste twee toekenningen van vergoedingen officieel aanbieden aan een erfgoedinstelling en een presentatie-instelling voor beeldende kunst.

Omdat nog niet duidelijk is hoe de richtlijn precies gaat uitpakken, welke bedoelde en onbedoelde gevolgen deze zal hebben, wordt dit jaar een onderzoek hiernaar uitgevoerd. Op basis daarvan zal de richtlijn eventueel worden aangepast.
Ook wordt voor zover mogelijk bekeken wat er gebeurt als er straks geen vergoeding meer is voor instellingen die de honorariumrichtlijn toepassen.
Ook de musea die nu niet meedoen met de richtlijn worden bij het onderzoek betrokken.

De richtlijn kan als voorbeeld dienen voor andere sectoren. Uit andere kunstdisciplines en uit het buitenland is al belangstelling getoond voor de richtlijn .

Specifiek voor fondsen
Fondsen kunnen erop toezien dat bij de aanvragen die ze honoreren sprake is van een reëel honorarium. Voor het Mondriaan Fonds geldt dat waar van toepassing de honorariumrichtlijn moet zijn toegepast, dus bijvoorbeeld bij bijdragen aan opdrachten en aan exposities met levende kunstenaars.
Als aan deze voorwaarde niet wordt voldaan wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Ook aanvragen waarbij sprake is van een betaling van de kunstenaar aan de instelling (komt voor) worden door het fonds niet in behandeling genomen.
Daarnaast faciliteert het fonds de bijeenkomsten van Beeldende Kunst Nederland (BKNL) waar de totstandkoming van de richtlijn plaatshad. Hetzelfde geldt voor het onderzoek naar de richtlijn, dat wordt ook door het fonds gefaciliteerd.

Wet- en regelgeving
In opdracht van het overlegplatform Beeldende Kunst Nederland (BKNL) is vorig jaar geïnventariseerd welke financieringsregelingen de overheid aanbiedt voor ondernemers en onder welke voorwaarden deze regelingen geschikt zijn voor beeldend kunstenaars. Centrale vraag: zijn de bestaande regelingen en faciliteiten voor ondernemers toegankelijk voor de kunstenaar als ondernemer? En wat kan de overheid doen wil het ondernemerschap in de kunst en cultuur versterken?
De inventarisatie bestaat uit twee delen: (1) een handreiking aan kunstenaars, op basis waarvan men zelf kan overwegen wat het beste aansluit op de persoonlijke situatie en (2) een knelpuntenanalyse gericht op beleidsmakers en politici.
Daaruit blijkt dat veel van de stimuleringsmaatregelen voor zelfstandig ondernemers niet van toepassing zijn voor kunstenaars. Op de cultuurfondsen na blijkt vooralsnog het merendeel van de financieringsregelingen van de overheid niet (voldoende) ingericht op deelname van kunstenaars. Daarbij ontbreekt het aan kennis bij zowel de culturele sector als de uitvoeringsinstanties van de overheid. Om de aansluiting van genoemde regelingen en programma’s op de behoeften en de praktijk van de creatieve zzp-ers te vergroten, zou een specifieke ‘tool’ of een adviesloket kunnen worden ingericht. Deze inventarisatie biedt hiertoe een opmaat.

Het onderzoek stelt:
Vooralsnog blijkt dat veel regelingen die open zouden moeten staan voor ondernemers uit uiteenlopende sectoren, moeilijk of niet toepasbaar zijn voor de culturele sector in het algemeen en voor de kunstenaarspraktijk in het bijzonder. Beeldend kunstenaars opereren voornamelijk als zzp’er en niet alle regelingen zijn hierop ingericht. Vaak zijn deze meer geschikt voor (middel)grote ondernemingen met een andere rechtsvorm dan het zelfstandig ondernemerschap. Een ander aandachtspunt zijn de eisen met betrekking tot het winstperspectief. Kunstenaars zijn ondernemers en moeten natuurlijk ook winst maken, maar in de praktijk blijkt het erg moeilijk om financieel succesvol te worden en te blijven. Ten slotte zijn de meeste regelingen gericht op technische innovatie, op duurzaamheid of op de (creatieve) industrie. Voor een kunstenaar betekent dit dat hij een connectie moet maken met zijn productieproces en dat dit proces vernieuwend moet zijn op gebied van technologie, duurzaamheid en/of milieu.

Om de toepasbaarheid van de regelgeving voor kunstenaars te verbeteren zou om te beginnen overleg moeten plaatshebben tussen de ministeries van Sociale Zaken, Financiën en OCW.