Toespraak Dick Tuinder bij Van Biënnale tot Oscar

Dick Tuinder, Winterland

uitgesproken op1 oktober 2014 in Filmtheater ’t Hoogt in Utrecht

Man met interessante hobby wint hoofdprijs loterij

Begin jaren negentig hing er in de Nederlandse filmwereld een opvallende stemming. Jonge filmmakers zoals Ian Kerkhof, Mark de Cloe, Paul Ruven, Eddy Terstal en anderen hadden ieder op hun eigen manier kritische successen geboekt. Een stemming van hier gebeurt iets. Een nieuwe generatie. Hoewel de films geheel verschillend van aard waren was er één overeenkomst: al die films waren met weinig geld en met een uit de jaren ’80 meeverhuisde do it yourself mentaliteit, met hulp dus van vrienden, bouwlampen en overjarig filmmateriaal, geproduceerd.
Enige jaren later reageerde het Filmfonds daarop met een lowbudget filmplan. Het leek het ei van Columbus. Kurken knalden tegen het plafond. Als je wilt dat men goede films maakt moet je als Filmfonds niet meer, maar juist minder geld geven! Wat een ontdekking!
Ik herinner me dit omdat ik in 1996 een bijdrage leverde aan het inmiddels niet meer bestaande filmblad Skrien. In die bijdrage voerde ik een fictieve correspondentie met het filmfonds over een door mij voorgesteld highbudget filmplan.
Een kort citaat uit de correspondentie: “Het verheugt mij dat u nu ook inziet dat het lowbudget filmplan uiteindelijk tot niets zal leiden. Het gaat in de basis om een metaliteitsverandering waarbij budgetoverschreiding als een teken van betrokkenheid wordt gezien. Ik noemde in ons eerste gesprek de Deltawerken. Hou dat beeld vast. Een halve dijk is geen dijk. Tenslotte neem ik graag uw uitnodiging aan om, als bedenker van dit project de eerste highbudgetfimplanfilm te realiseren. Ik stuur u binnenkort wat eerste ideeën.”

Dat highbudgetfilmplan kwam er toch niet en wat er van dat lowbudgetfilmplan is geworden is mij niet meer bekend. Kort daarop brak de digitale revolutie uit en toen werd alles wederom anders. Filmopname, montage en geluidsmix werden een even alledaags instrument als het tekst- of tekenprogramma. Beeldend kunstenaars, die al ruim een eeuw verlangend, maar meestal onmachtig, naar het medium film hadden opgekeken zagen plotseling hun kans schoon. Eindelijk was het moment daar waarop de individuele kunstenaar met gelijke wapenen de strijd aan kon gaan met de massamedia. U kunt zich daar ook als niet-kunstenaar misschien iets bij voorstellen. Als je net uit de bioscoop komt waar je temidden van een enthousiaste volle zaal Django Unchained hebt gezien, of wanneer je zojuist een marathonsessie van alle afleveringen van de serie Deadwood achter de rug hebt en je atelier binnenstapt waar doek en penselen al die tijd in stilte en alsof er niet zoiets als dolby surround bestaat, geduldig op je hebben liggen wachten, dan kan je soms het gevoel bekruipen dat er in je persoonlijke kunstpraktijk iets essentieels ontbreekt.
Dit gevoel en de technische mogelijkheden werden tenslotte ook bij met Mondriaan- en Filmfonds opgemerkt en de Verbeelding was geboren. Voor wie zijn oude SKRIENS heeft bewaard en er nog eens op naslaat, herkent hierin zonder moeite het oude idee van het lowbudgetfilmplan. Hoge kwaliteit voor relatief weinig geld.

Kunstenaars die films maken, daarbij dringt zich ook het beeld op van de emigrant. Die hoopt dat het aan de andere kant van de oceaan beter zal zijn. Dat het leven daar meer zal betekenen. Echter zal zijn. Het verlangen ook om serieus te worden genomen. Om niet opgesloten in keurig afgebakende culturele reservaten je ding te doen voor een klein groepje gestudeerde liefhebbers, maar om deel uit te maken van de dominante mondiale beeldcultuur. En om in de context van die werkelijkheid gezien te worden.
Sinds die tijd zijn er inderdaad nationaal en internationaal kunstenaars geweest die die overstap hebben gemaakt, en daarin succesvol tot uiterst succesvol waren. En vaak ook met behoud van hun oorspronkelijke kunstenaarsschap.
Anderzijds, wanneer we naar films van bijvoorbeeld Steve McQueen, Miranda July, Nicolas Provost, Isaac Julien of Nanouk Leopold kijken, dan is de vraag in hoeverre die kunstzinnige achtergrond in dat werk nog een rol speelt. Shame, The Invader en Guernsey bijvoorbeeld zijn alle zeer filmische films. Een beetje anders dan mainstream misschien maar als je niet zou weten dat de makers op de kunstacademie hebben gezeten dan was het je niet opgevallen. En ik geloof ook niet dat het de ambitie van die filmmakers was of is om zo’n soort film te maken. Zij verhouden zich in hun filmische werk tot de filmkunst en niet tot de beeldende kunst. In mijn eigen laatste film Afscheid van de Maan zie ik hetzelfde principe terug. En ook dat was een bewuste keuze. Met mijn vorige lange film Winterland, die ik maakte binnen het kader van De Verbeelding was dat anders.

Ik zal daar zo wat dieper op ingaan, maar eerst, nu ik hier toch ben, iets meer over mijzelf. Toen ik een jaar of 11 was begon ik serieuze interesse te krijgen in beeldende kunst. Als ik naar een schilderij of een tekening keek begon het in mijn hoofd te jeuken. Ik wilde weten wie het gemaakt had en waarom. Maar vooral wilde ik weten HOE die persoon dat gemaakt had. Welke techniek, welk geheim instrument gebruikte men? Wat andere jongens met een voetbal hadden had ik met mijn verzameling H en B potloden: ik wilde er alles mee kunnen doen.
De kunstenaarsbenodighedenwinkel in de stad waar ik woonde werd een plek vol begeerlijke instrumenten en geuren van cederhout, plakkaatverf en gum. Geinspireerd door dat bouquet van geuren heb ik altijd het heel vanzelfsprekende gevoel gehad dat alle media van de wereld tot mijn beschikking stonden. Mijn eerste held was dan ook Michelangelo. Wiens werk ik van foto’s zo precies mogelijk natekende. Rond diezelfde tijd zag tijdens de kerstvakantie Singing in the Rain. Dat was een andere richtinggevende ervaring. De gelaagdheid van die film. De elegante ironie. De opwindende en bijna altijd uit een terloopse improvisatie met de omgeving geboren dansscenes en de sprezzatura waarmee dit alles in elkaar overliep en het einde dat werkelijk triomfantelijk ontroerend was. Hoe was het mogelijk dat zoiets bestond en hoe ga je als ambiteuze elfjarige om met zo’n ervaring? Ik kon de film niet natekenen en dus moest ik na afloop van pure opwinding een half uur lang keihard rennen en hoopte ik dat ik snel oud zou worden zodat ik ooit nog een film zou kunnen maken met Gene Kelly in de hoofdrol.

Het duurde toch nog vrij lang voordat de kans zich aandiende, en toen was die natuurlijk allang verkeken. Toch, terwijl ik dit schrijf, realiseer ik me dat de film Winterland veel in zich draagt van juist die twee vroegste artistieke indrukken. En ook dat Gene Kelly en Michelangelo meer met elkaar te maken hebben dan u op het eerste gezicht misschien zou denken.

Winterland speelt zich af op een filmset waar een slecht begrepen regisseur/schrijver/kunstenaar, geheel toevallig door mijzelf vertolkt, bezig is met de opnames van een kunstzinnige science-fiction film uit het jaar 1896. Tijdens de opnames van die film gaat er van alles mis, werkelijkheden lopen door elkaar, acteurs weten niet meer wie ze zijn of wat ze spelen en verdwalen in de de set. De regisseur verandert van plan, zaait nog meer verwarring, er klinken vrolijke popliedjes over het personage Sally Dewinter, afgewisseld met hoekige avant-gardemuziek door een strijkwartet en het geluidsensemble OKOI en ondertussen schildert de regisseur nog wat aan het décor dat o.a. een driedimensionale versie is van een panorama dat hij ooit in Aruba schilderde. Ik wilde kortom dat alles erin zat, maar dat het nergens naar toe ging. De making of van een film die nooit gemaakt werd. A true story that never happened. En om aan die paradox nog een extra laag toe te voegen vroeg ik mijn vriend en collega Aryan Kaganof om een making of van die making of te maken.
Ik vocht conflicten uit met het produktiekantoor dat er natuurlijk niets van begreep en heersde over de set op het landgoed in Steenwijk alsof het mijn eigen daglichtloze atelier was. Op alle vragen een antwoord.

Tijdens de montage van die film zag ik Synecdoche New York van Charlie Kaufman. En werd getroffen door de merkwaardige overeenkomsten tussen beide films. In Synecdoche New York krijgt theaterregisseur Caden Cotard een zogenaamde Genius Award van de Mac Arthur Foundation. Een prijs voor het leven, met een hoegenaamd onbeperkt budget. En hij mag maken wat hij wil.
Onbeperkt budget is iets meer dan drie ton, maar u ziet de overeenkomsten. De logline van dit scenario: “man met interessante hobby wint hoofdprijs in loterij” heeft alles in zich om een vrolijke en optimistische film te worden. Het wordt in het geval van Caden Cotard een nachtmerrie.
Hoe groter en gedetailleerder Caden de kunstmatige wereld van zijn meesterwerk in wording maakt – een minitueuze nabootsing van zijn eigen leven, met honderden acteurs en een reusachtige set – des te waziger wordt het doel of de plot van dit alles. Aan het eind van de film loopt hij hoogbejaard door de ruines van het décor – de stad New York op ware grootte – dat hij in de loop van jaren liet bouwen. De paar acteurs die daar nog zijn lijken niet te weten wie hij is of wat ze daar doen. In zijn oor heeft hij een speakertje waardoor de stem van zijn assistente te horen is die hem bij zijn eigen sterfscene souffleert.
Misschien, bedacht ik me na afloop van de voorstelling is het wel vragen om moeilijkheden om kunstenaars heel veel geld te geven of films te laten maken. Misschien zijn armoede, miskenning en een verlichte vorm van slavernij wel de enige manier om – ook in het voordeel van de kunstenaar zelf –  met deze specifieke geestesgesteldheid om te gaan.

In ieder geval is het denk ik naief om binnen een werkelijkheid van miljoenenbudgetten voor games, adventure sequels en hoogwaardige televisieseries van een kunstenaar te verwachten dat hij daar met drie ton budget (twee ton als hij een beetje leipe producent treft) een passend antwoord op zal vinden. Misschien is zo’n doelgroepen versmeltend artistiek-filmisch meesterwerk wel per definitie a true strory that never happens.
Anderszijds: als alles mogelijk zou zijn, zouden er geen kunstenaars meer bestaan.

DT 1 oktober 2014