Click here for English
In zijn sculpturen en installaties verkent Werner van der Zwan (1995) het grensgebied tussen object en lichaam, tussen technologie en gemoedstoestand. Met behulp van robotica laat hij objecten en materialen als autonome gedaantes bewegen. Onhandig, zowel komisch als tragisch, nodigen de sculpturen de toeschouwer uit zich te verhouden tot het innerlijk leven van robotische wezens. Eerder werkte Van der Zwan vooral met gevonden objecten zoals prullenbakken, stoelen en afval. Voor het nieuwe werk dat hij in Prospects toont, bewerkte hij hout tot nieuwe vormen.
Een vinger gekoppeld aan een ontstopper, een losliggend been, longen waar twee neuzen boven hangen. Autoprothesis (2025) bestaat uit drie robotische sculpturen die lichaamsdelen verbeelden. Elektronica brengt ze in beweging: de longen ademen zachtjes, het been strekt en buigt, de vinger wenkt. Naast lichaamsdelen roepen ze ook de associatie op met prothesen, kunstmatige onderdelen die het menselijk lichaam ondersteunen. In samenwerking met choreografe Marta Wörner ontwikkelde Van der Zwan een script waarin de drie elementen op elkaar reageren als een lichaam dat in stukken uiteen is gevallen, maar nog altijd als geheel reageert.
Van der Zwan sneed de vormen met de hand uit hout. Dat geeft de sculpturen een opmerkelijke zachtheid en kwetsbaarheid, die contrasteert met de mechanieken die ze aandrijven. Het werk roept vragen op over de relatie tussen mens en machine. Waar het robotische lichaam doorgaans staat voor efficiëntie en controle, zoekt Van der Zwan juist naar een relatie vanuit machteloosheid en kwetsbaarheid, een vorm van nabijheid die ontstaat uit tekort.
Geschreven door Sarah van Binsbergen